‘Jouw vader en moeder waren fout in de oorlog. Dát is pas erg’ zegt de valse tandartsvrouw tegen de 15-jarige Eva, als die opgelucht na een controlebezoek de spreekkamer van de tandarts uitkomt en zich in de stoel neerzet voor een fluorbehandeling. Eva kan niets terug zeggen, ze denkt: ‘Wat bedoelt die vrouw?’ ‘Ze hebben je natuurlijk niets gezegd hè, mooi weer spelen tegen hun dochter, maar bij jouw ouders liepen de Duitsers de deur plat in de oorlog hoor. Je moeder had zelfs verkering met een Duitser. Ze waren zo fout als wat en ze hebben er nauwelijks voor geboet!’ Met die woorden gaat Eva naar huis, met een hoofd vol vragen. Als ze tijdens het eten vertelt wat haar overkomen is geven haar ouders toe dat ze, al voor de oorlog, lid waren van de NSB. Ze hebben elkaar pas na de oorlog in het strafkamp leren kennen. En die verkering?
Haar moeder verdwijnt naar de slaapkamer en komt er niet meer uit tevoorschijn. Een week later ging ze naar een kliniek ‘om uit te rusten’, en Eva mocht nooit meer over de oorlog praten want dat zou moeders dood betekenen. Maar zwijgen legt denken niet stil. Moeder leeft met een ‘Eva Een’ en een ‘Eva Twee’. En Eva leeft verder met levensgrote vragen. Ze wil weten hoe het zat. Haar ouders moeten kleur bekennen. Het komt er pas jaren later van, op een wel heel bijzondere wijze.
Tijdens haar jeugd neemt vader haar mee naar oude oorlogsbouwwerken. In het geheim, want haar moeder mocht niets weten. Eva raakt steeds meer gefascineerd door die geschiedenis. Als ze een vriend krijgt die een artikel over David Bowie schrijft en daarbij, via Bowies teksten, op het nazisme stuit, lijkt het of hun wegen samenvloeien. Ze vertelt hem over de oorlogsgeschiedenis van haar ouders. Het lijkt wel of haar leven verkleefd zit met het oorlogskwaad of ze nu wil of niet. Ze vraagt bij het NIOD of er dossiers over haar ouders zijn en zo ja, of ze die in kan kijken. Op de eerste vraag krijgt ze een bevestigend antwoord, maar van inkijken is geen sprake zolang haar ouders nog leven en daarvoor geen toestemming geven.
En dan is daar de dag dat ze een brief krijg van een zekere Sterre van der Glas. Sterre is geadopteerd en ze is op zoek naar haar biologische ouders. Ze is 65 jaar, gepensioneerd journalist. Haat adoptiemoeder heeft Sterre op haar sterfbed verteld dat de naam van haar biologische moeder Josephine Biere is. Nadat Sterre verder zocht kwam ze achter Eva’s naam en e-mailadres. Eva en Sterre blijken halfzusjes te zijn. Sterre zou haar heel graag ontmoeten. Kan dat?
De brief is een schok voor Eva. Ze neemt vakantie en zoekt rust op een eiland om tot zichzelf te komen. Haar vader is inmiddels overleden, maar haar moeder leeft nog. Kan ze die hiermee confronteren? En is dit zusje, haar dochter, wellicht de oorzaak van haar levenslange depresssies zodra de oorlog ter sprake kwam? Liggen die aan het feit dat ze haar eerstgeboren kind misschien wel tegen haar wil moest afstaan? Moet ze haar moeder vragen kleur te bekennen of zou dit haar dood betekenen?
Eva staat aan het begin van een lange tocht, nu ook van een speurtocht van haar eigen bestaansrecht. Haar ouders hadden kinderen, maar hun huwelijk was niet goed. Is zij, zijn hun kinderen verwekt om te vergeten? Zijn zij kinderen uit een liefdeloos huwelijk? Hebben ze wel recht om te bestaan?
Rachel de Meijer (1964) is redacteur bij de NOS. Eerder schreef zij Tussenland, Een Reis Door Zeeuws-Vlaanderen, een non-fictieboek met verhalen over de streek waar zij vandaan komt. Een gebeurtenis die ze in dit boek beschrijft vormde het beginpunt van deze roman.
De Meijer bestudeerde meerdere dossiers voor dit boek. Op twee plaatsen in dit boek citeert ze daar bijna letterlijk uit. Daarbij gaat het om de brief van de moeder van Pien (Josephine) aan het NSB-hoofdkwartier over de zorgen om haar dochter. Het tweede citaat betreft de veroordeling van de echtgenoot van Pien, inclusief de getuigenverklaringen. Ze geeft daarbij wel aan dat getuigenverklaringen niet per se waar hoefden zijn, omdat ze vaak gekleurd waren door verse en pijnlijke oorlogsherinneringen.
Waarheid en fictie, ze raken elkaar nauw in dit boek. Rachel de Meijer heeft een bijzonder boeiend boek geschreven waarin ze die twee knap verweeft. Het kán allemaal zo gebeurd zijn, en voor de vreugde, het leed en de jarenlange nawerking van de oorlog geldt hetzelfde. Niet waargebeurd, wel voor velen op deze manier herkenbaar als waar-beleefd. Bijzonder.